In 2000 verscheen het boek
Nooit voltooid verleden tijd
In het boekje staan verhalen en tekeningen
over Vrijheid en Vrede.
We hadden onze twee paarden verstopt in het lijkenhuisje op de Brink. Willem Seelen verzorgde de dieren. Op een dag wilde ik daar gras gaan brengen. Ik had een 'krank' paard van de Duitse weermacht bij mij, dat ze bij ons hadden achtergelaten. Ik werd aangehouden door een paar Duitse soldaten en kreeg de opdracht met hen naar fort Honswijk te rijden om van daaruit munitie naar Wijk bij Duurstede te brengen. In totaal waren er acht boeren met hun paard en wagen gevorderd. Ieder van ons kreeg een bewapende militair op zijn wagen om de vracht te bewaken. In Wijk aangekomen, moesten we onder toezicht onze vracht lossen en wachten op een tweede rit. De Duitsers gingen eerst brood eten, maar dat duurde zo lang dat we overwogen om er stilletjes vandoor te gaan. We waren allemaal van de straat opgepikt dus de Duitsers wisten toch niet waar we woonden en zouden ons nooit meer terug kunnen vinden.
Kees Griffioen durfde eerst niet mee te gaan, maar na lang aarzelen vertrok ook hij. Hij had echter niet gezien dat er nog een Duits geweer op zijn wagen was blijven liggen. Aan de sluis bij Wijk bij Duurstede stond de Duitse Weermacht op wacht en het geweer werd gevonden. Griffioen moest tekst en uitleg geven. Hij werd terug naar Wijk gebracht, waar ze ons inmiddels gemist hadden. Griffioen kreeg een vreselijk pak slaag en werd gedwongen om de woningen van de andere zeven ontsnapten aan te wijzen. Hij bracht de Duitsers eerst naar mijn broer Herman aan de Lekdijk, die was er ook bij geweest. Herman kreeg een flink pak slaag en Griffioen, die helemaal aan het eind van Latijn was, mocht naar huis. Broer Herman, vol bulten en blauwe plekken, moest de rest aanwijzen. Hij probeerde mij, als broer, over te slaan, maar ze wisten precies dat er acht hadden gereden, dus dat lukte niet. Het was intussen middernacht geworden en ik sliep bij broer Joop in Tull en 't Waal. Herman wist dat niet, dus hij bracht de Duitsers eerst naar de boerderij in Schalkwijk. Daar was meteen de hele boel in rep en roer. Giel, de bange evacué, dook onmiddellijk weer in zijn hol op de hooizolder. Toen de Duitsers te horen kregen dat ik in Tull en 't Waal sliep, dachten ze dat Herman hen voor de gek had gehouden. Hij kreeg dus nogmaals de volle laag en volledig geknakt en gebroken bracht hij de Duitsers bij mijn broer Joop in Tull.
Met bruut geweld werd er op de achterdeur gebeukt. Joop deed open. Hij liep met een mitella vanwege een gebroken duim. Deze kon het niet zijn, meenden de Duitsers want deze was 'krank'. Ze drongen de woning binnen en voor ik bij mijn positieven was, stonden er twee Duitsers voor mijn bed. Ze schenen met een zaklantaarn over mijn gezicht. Toen geconstateerd werd, dat ik de juiste was, werd er met een geweerkolf op me losgebeukt. Ze sloegen overal waar ze me maar konden raken en dat ging niet bepaald zachtzinnig. Vervolgens moest ik weer rijden. Het was pikdonker. Ik wilde de wei in gaan om het paard te halen, maar ze dachten dat ik wilde ontsnappen en ik kreeg weer een paar flinke dreunen. Toen ik heb hun verstand had gepeuterd dat ik alleen maar het paard wilde halen, ging er een mee de wei in. Onderweg bleef hij me schoppen en slaan tot ik het paard had ingespannen. Met een gewapende mof naast me op de bok heb ik mijn tweede rit naar Wijk bij Duurstede afgemaakt. Het was een kruisweg die ik nooit zal vergeten.
Toen ik dit had meegemaakt, kon ik de uitspraak van mijn buurman uit Maurik goed begrijpen. Hij vertelde dat er in Ommeren bij de brug over de Linge een ongeluk was gebeurd, gevolgd door een ramp. Ik vroeg hem wat er gebeurd was. Hij vertelde dat er een Duitse auto met acht militairen door de leuning van de brug was gereden en vier meter lager in de Linge terecht gekomen was. "Wat is nou de ramp?"" vroeg ik hem. Zijn antwoord luidde: "Ze zijn allemaal gered!"
In oorlogstijd was het eerste van de tien geboden soms ver te zoeken.
Toon van der Gun, 22 juli 1919
