Uniek op het Eiland van Schalkwijk

Schalkwijkse &
Tull en 't Waalse
Berichten

2000: 55 jaar vrijheid

bijdragen van dorpsgenoten

In 2000 verscheen het boek

Nooit voltooid verleden tijd

In het boekje staan verhalen en tekeningen

over Vrijheid en Vrede.

5

Het leven aan de Lek
in oorlogstijd

Omdat ons huis annex café dichtbij de spoorbrug stond, kregen we al in september 1939 te maken met inkwartiering. Het waren tien Nederlandse soldaten die voor de bewaking van de spoorbrug moesten zorgen.

De echte ellende begon in 1940. De evacuatie was al een nare ervaring, maar toen we na enkele dagen weer thuis kwamen, zagen we dat er bij ons ontzettend was huisgehouden. Allerlei luiken zaten dicht en alle deuren stonden open. Het erf lag bezaaid met lege bier- en limonadeflesjes, die uit onze kelder gestolen waren. Daar stond de opslag voor de Pinksterdagen. En viel een heleboel op te ruimen en schoon te maken, maar eerst moesten we de koeien melken. Ze liepen allemaal met overvolle uiers, omdat ze een paar dagen niet gemolken waren. Alle tonnen, teilen en emmers die we konden vinden werden gebruikt om de melk op te vangen.

Al gauw kregen we Duitse soldaten in huis, die de spoorbrug kwamen bewaken. In het land voor de spoorbrug werd een mijnenveld aangelegd zodat parachutisten er niet zouden kunnen landen. Het is een paar keer voorgekomen dat een koe uitbrak en op een mijn liep. Dat leverde steevast een verbrijzelde poot op, maar eigenlijk was het nog een geluk bij een ongeluk dat de koeien steeds zelf uit het mijnenveld kwamen strompelen. Dan konden ze in ieder geval nog geslacht worden. Persoonlijke ongelukken deden ze zich gelukkig niet voor.

Overal in huis zaten Duitsers. Ze sliepen op de hooizolder en in de biljartkamer. We hadden alleen de keuken en twee slaapkamers voor onszelf. Op de dolle dinsdag in september 1944 waren er bij ons ineens wel negentig soldaten. Rondom het huis stond overal afweergeschut opgesteld om de vliegtuigen te weren. Toen op een dag het water van de Lek vrij hoog stond, werden de boeren uit de buurt ingeschakeld om het afweergeschut op het droge te brengen. Later moesten ze het weer terugplaatsen. Als er Engelse vliegtuigen overvlogen, kon het hier een hels kabaal zijn. Soms renden alle soldaten ons huis uit omdat ze bang waren dat het gebombardeerd zou worden. Inderdaad zijn hier op een middag rond het huis een aantal bommen gevallen. De muren stonden te trillen en er was geen ruit meer heel. Het was een oorverdovend lawaai. Zulke geluiden vergeet je nooit meer.

Op een dag is er een Duitse soldaat in een wagen met aanhanger de Lek in gereden. De auto wilde de pont oprijden, maar die lag niet goed vast of de kabel brak. In ieder geval dreef de pont van de kant af op het moment dat de voorauto het dek op reed. De aanhanger reed het water in en trok de voorauto van de klep van de pont af mee de Lek in. In de aanhanger lagen heel wat jonge soldaten te slapen en die zijn toen allemaal verdronken. De schipper van de pont heeft een paar dagen vastgezeten, omdat hij werd verdacht van sabotage. Maar gelukkig wist zijn baas hem vrij te praten.

Via de pont kon je de overkant van de Lek bereiken, maar dat lukte ook op andere manieren. Op de spoorbrug werd een spoor dicht gelegd met balken, zodat het autoverkeer ook via de spoorbrug kon rijden. Het is zelfs nog een tijdje een pontonbrug geweest, maar die moest geregeld opengebroken worden vanwege de scheepvaart.

Het kwam voor dat 's avonds na spertijd jongens uit Culemborg in het pikkedonker de Lek overzwommen. Ze hadden een lege pan bij zich en gingen stiekem op de uiterwaarden een paar van onze koeien melken. Met de pan melk voor zich uit zwommen ze dan terug naar Culemborg. Ik weet niet of de melk iedere keer zonder morsen de overkant bereikt heeft. Er kwamen ook wel eens jonge vrouwen uit Culemborg over. Ze bezochten de soldaten die bij ons ingekwartierd waren. Ze boden hun diensten aan voor een broodje of bord eten. Honger kan een mens erg wanhopig maken.

Vlak voor de oorlog lagen er op het fort Honswijk soldaten. Een van hen was getrouwd met een meisje uit Culemborg. Op zondagmiddag kwam hij wel eens naar ons toe. Zijn vrouw kwam dan met haar baby van een paar maanden in de kinderwagen de pont over om hem bij ons even te ontmoeten. Dat ging een tijdje goed, maar op een zondag in het begin van de oorlog kwam ze voor niets de Lek over. Haar man kwam niet opdagen. Later hoorden we dat hij bij de inval van de Duitsers in Rotterdam had moeten vechten. Hij is er nooit van teruggekeerd en als vermist opgegeven. Het meisje in de kinderwagen had al heel jong haar vader verloren.

Op een gegeven moment gingen de Duitsers bij de boeren paarden vorderen. Zo namen ze bij ons ook een paard mee. Het dier had een veulen, Maar dat bleef bij ons. Mijn vader kreeg het voor elkaar dat een van de soldaten die bij ons ingekwartierd waren, een brief schreef om het paard terug te vragen. Inderdaad mocht mijn vader na drie dagen zijn paard in Ommeren op gaan halen. Dat ging aan een halster op de fiets. Mijn vader kon het dier bijna niet bijhouden, want het wilde op een draf naar haar veulen terug.

Aan het eind van de oorlog, toen de soldaten zich gingen terugtrekken, was het een grote warboel. Een oudere Duitse soldaat deed een oranje toffeepapiertje boven zijn pet. Hij was getrouwd, hij had een gezin en was blij dat het afgelopen was. De jonge soldaten namen het hem zeer kwalijk dat hij “Oranje boven” had. Voordat de soldaten ons huis verlieten, vroegen ze ons om boven te inspecteren of ze de boel netjes achtergelaten hadden. In de tijd dat wij boven liepen, hebben andere soldaten mooi ons geslachte varken gestolen, dat in de kelder in de pekel lag. Maar ach, ze hadden ook honger.

Na de bevrijding werden overal buurtfeesten georganiseerd. Na vijf jaar onderdrukking was de ontlading groot. Iedereen was ongelooflijk opgelucht. Het duurde nog lange tijd voordat alles weer op orde was, maar de oorlog was godzijdank voorbij!


Jan van Leur, 10 oktober 1927

Deze website is gemaakt door Frans Hollander / FEL op basis van BootstrapThemes / copyright 2025