In 2000 verscheen het boek
Nooit voltooid verleden tijd
In het boekje staan verhalen en tekeningen
over Vrijheid en Vrede.
Het was oorlog, 1940-45. Alom voedselgebrek, vooral in de grote steden. De stedelingen trokken naar het Schalkwijkse platteland om wat eten bij elkaar te bedelen. Wij woonden daar en waren met ouders, broers, zussen en enkele onderduikers uitgegroeid tot een familie van 17 personen. We konden bij een boer een grot stuk bouwland huren en bebouwden dat met aardappelen. De oogst was goed en we konden dus naar behoefte schillen en koken.
Eén dag uit de vele zorgelijke en vaak angstige dagen van de oorlog zullen we niet snel vergeten. Ons bedrijf was een vaarbedrijf: beurtschipper van Schalkwijk op Utrecht. Op de bewuste dag kwam een man uit Amsterdam op de fiets bij ons aan. Hij had relaties in de Betuwe en kon daar aardappels bemachtigen. Deze zouden door een schipper over de Lek gezet worden. Hij vroeg of wij ze naar Utrecht zouden willen vervoeren. Ten slotte zou een andere beurtschipper ervoor zorgen dat ze in Amsterdam zouden aankomen.
Het verhaal komt nog, maar deze inleiding dient vooral om aan te geven hoeveel moeite men moest doen om de honger buiten de deur te houden.
Toen de man bij ons aankwam, gingen we net aan tafel. De man werd gevraagd om mee te eten. Er kwam een pan op tafel met gekookte aardappelen. Het was een grote, een zeer grote pan. Wat er we er die middag aan groenten bij hadden, weet ik niet meer, maar het duurde niet lang of de pan was leeg. Maar mijn moeder had de begeerte in de ogen van de gast gezien en vroeg hoe het gesmaakt had en of hij voldaan was. "Heerlijk," was het antwoord, "ik zou best nog meer gelust hebben." "Ja," zei mijn moeder, "ik heb van gisteren nog wel een prakkie boerenkoolstamp in de kelder staan, maar ik schaam me eigenlijk om het aan te bieden." De man had er wel zin en daar kwam het prakkie. Ik denk een hoeveelheid waar mijn vrouw en ik tegenwoordig twee dagen over zouden doen. Het werd op tafel gezet in de veronderstelling dat hij er wat van op zijn bord zou scheppen, maar hij schoof zijn bord opzij en zette de schaal voor zich neer en at hem tot onze stijgende verbazing, achter elkaar leeg. Later fietste hij weg, ons in grote zorg achterlatend of het wel allemaal goed zou gaan. Voor zover ik weet, hebben we nooit meer iets van hem vernomen.
Piet Kool, 27 juni 1915
