In 2000 verscheen het boek
Nooit voltooid verleden tijd
In het boekje staan verhalen en tekeningen
over Vrijheid en Vrede.
In het laatste jaar van de oorlog zijn er in de Betuwe verschillende dijken kapot gegooid, waardoor een groot deel van de Betuwe onder water kwam te staan. In de boerderij van mijn broer Theo in Maurik stond anderhalve meter water. Mensen en vee moesten geëvacueerd worden en de boerderij bleef onbeheerd achter. Nu werd er in deze chaos ontzettend gestolen, niet alleen door de Duitsers, maar ook door onze eigen mensen. De één werd gedreven door honger, de ander door zwarte handel.
Mijn broer Theo had op zolder van zijn boerderij nog 1000 kg koolzaad liggen. Hij was bang dat dat gestolen zou worden, want koolzaad was een gewild product omdat je er olie uit kon persen. We moesten het dus weghalen, maar hoe? Alles stond onder water en er werd gecontroleerd. De kans was groot dat je gepakt werd en dan moest je alles aan de bezetter afgeven.
Kruidenier Schevers van de Brink had een hit met wagen en een vergunning van de weermacht dat hij dit vervoer mocht gebruiken om boodschappen rond te brengen. Ik mocht kar en paard lenen onder voorwaarde dat als de hit toch gevorderd zou worden, hij een paard van mij moest hebben. Hij wist dat mijn paarden verstopt stonden in het lijkenhuisje op de Brink. Ik ging akkoord en samen met Baks de Waal, die voor de duivel niet bang was, vertrok ik naar Maurik. We konden Toon van Zijl, een oud-Schalkwijker die aan de Rijndijk woonde, droog bereiken. Daar hebben we paard en wagen gestald en de rest van de reis met zijn lekke roeiboot en een grote klomp maat vijftig. Om de beurt moest de een roeien en de ander klomphozen en boven blijven. De afstand van de Rijndijk naar de boerderij van mijn broer was ongeveer 800 m. Het koolzaad zat in zakken van 75 kg. Wilden we blijven drijven, dan ging er maar één zak per keer mee. Dus dat werd veertien keer heen en weer roeien voordat we de buit binnen hadden. Eindelijk hadden we alle zakken op onze wagen en konden we naar Schalkwijk vertrekken. Toen we vlak bij het veer Rijswijk-Wijk bij Duurstede kwamen zagen we aan de overkant een colonne militairen, "Straks zijn we alles kwijt!" piepte ik benauwd tegen Baks. Maar Baks was optimistisch en zei: :Kom op, alles of niks." Ik kneep hem als een ouwe dief. Tot overmaat van ramp kon het hitje aan de overkant de wagen niet tegen de steile helling op krijgen. Baks de Waal brulde brutaal naar de moffen: "Komen jullie eens duwen! Je ziet toch dat dat arme beest het niet kan trekken!" Er werd massaal geduwd. En wij trokken vrolijk verder over de Lekdijk naar Schalkwijk, nog nagenietend van de behulpzaamheid van onze aartsvijand.
Toon van der Gun, 22 juli 1919
